Verjaringstermijn sluit toepassing redelijke termijn niet uitOvereenkomstig artikel L 1215-27 van het Wetboek van de plaatselijke democratie en de decentralisatie kan de tuchtoverheid geen tuchtrechtelijke vervolgingen meer instellen na een termijn van zes maanden na vaststelling of kennisneming van de strafbare feiten, en gaat die termijn in geval van strafrechtelijke vervolgingen voor dezelfde feiten in de dag waarop de gerechtelijke overheid de tuchtoverheid erover inlicht dat een in kracht van gewijsde getreden beslissing is tot stand gekomen of dat de strafrechtelijke procedure niet voortgezet wordt. In het arrest nr. 190.728 van 20 februari 2009 oordeelt de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak dat het voorschrift de tuchtoverheid niet ervan vrijstelt om te letten op het beginsel van de redelijke termijn en dat de tuchtoverheid de tuchtrechtelijke vervolging alleen mag uitstellen wanneer zij op basis van de onderzoeksmiddelen waarover zij beschikt, geen beoordeling kan geven van de feiten die het personeelslid ten laste worden gelegd. (09/03/2009) |